Sitfa

Stichting Indisch Thee- en Familiearchief Van der Hucht c.s.

© 2018 - Stichting Indisch Thee- en Familiearchief Van der Hucht c.s.

De rechten van het tentoongestelde materiaal op deze website berusten bij de Stichting of de betreffende maker van de foto's en beelden.

Blog

 

tweemaandelijks wordt een item uit de collectie gelicht en beschreven.

De Surinaamse koffieplantage Adrichem -  januari 2019

In het najaar van 2018 ben ik op een, voor mij onbekend, deel van de geschiedenis van de Kerkhovens gestuit. Zij waren niet alleen in Nederlands-Indië als ondernemer werkzaam, maar bezaten ook een plantage in Suriname, koffieplantage Adrichem aan het Matappicakanaal. Ook hier waren het familiebanden waardoor de plantage in bezit kwam van de erven Pieter Kerkhoven.

 

Daarvoor moeten we terug naar Jan Willem Kerkhoven (1727-1761). Hij was gehuwd met Catharina Margaretha Smit (1726-1805). Hun oudste zoon Pieter Kerkhoven (1752-1802), gehuwd met Anna Elisabeth Menkema (1751-1815), is de vader van “onze” Johannes Kerkhoven.

 

Via de notariële akten van Amsterdam is goed te volgen hoe de plantage Adrichem in bezit komt van de Kerkhovens.

 

 

Mr. George Curtius (1721-1760), raadfiscaal van Suriname in de jaren vijftig van de 18e eeuw, was gehuwd met een schoonzus van Jan Willem Kerkhoven, Elisabeth Geertruij Smit (1736-1781).

In 1753 startte Curtius de koffieplantage Adrichem. Hij overleed zeven jaar later en werd op de plantage begraven. Elisabeth Geertruij was toen al teruggekeerd naar Holland en woonde in Purmerend. Zij was erfgenaam van George en erfde daarmee ook de plantage Adrichem.

In 1770 nam haar zwager Joachim Woldorff (gehuwd met haar zus Jacoba Smit), samen met zijn broer Frans Laurens Woldorff de hypotheek die op de plantage rustte, over. Frans Laurens was weer getrouwd met een schoonzus van Pieter Kerkhoven, Maria Hendrina Menkema. Hij laat zijn zwager Pieter zijn roerende en onroerende goederen na, waaronder de plantage Adrichem.

Pieter overlijdt in 1802 en de plantage komt in handen van de Erven Pieter Kerkhoven. Zijn zoon Arnoldus Laurens Kerkhoven, een jongere broer van Johannes, vertrok naar Suriname waar hij overleed in 1809, te Paramaribo. Hij werd op de plantage begraven.

 

In Suriname bestonden twee soorten slaven; slaven in particulier bezit en plantageslaven. De laatste groep maakte onderdeel uit van het onroerend goed. Zo konden ze niet in de losse verkoop verkocht worden. Het bood de slaven dus een zekere bescherming dat ze deel uitmaakten van de boedel, stellen onderzoekers Helstone en Ten Hove. Maar de planters mochten ze wel verhuren aan een andere plantage.

Eigenlijk was al in 1841 besloten dat Nederland de slavernij zou afschaffen, maar er waren 22 jaren voor nodig om de hoogte van de schadevergoeding te bepalen die de slavenhouders per slaaf vergoed zouden krijgen ter compensatie van de afschaffing.

 

In 1862 werd van elke plantage een borderel opgemaakt, een inventarislijst van de tot de plantage behorende slaven. Sal Soesman, administrateur, maakte de borderel van plantage Adrichem op 24 oktober 1862. Er stonden 51 mannen op en 83 vrouwen. Maar slaaf Andries, 1 jaar oud en zoon van Magdalijntje, stierf op 29 november 1862, tussen de afkondiging van de wet en de verificatie op de plantage op 24 maart 1863, daarom kregen de eigenaren geen tegemoetkoming voor hem. Bij de verificatie bleken drie slaven die op de inventraislijst stonden als veldmeiden, bij Sal Soesman in Paramaribo te huizen. Het waren Matje (19 jaar), Jansie (13 jaar) en Aldolphina (9 jaar). Ook dat werd geverificieerd en in een proces-verbaal opgenomen. Azor (51 jaar) zat een straf uit in fort Nieuw Amsterdam, maar deze straf was korter dan vier jaar, daarom werd voor hem wel een tegemoetkoming betaald. Dat gold ook voor Job (24 jaar), die tewerk was gesteld bij de strafarbeiders in Paramaribo.

 

Uiteindelijk zijn er 28 eigenaren bij de afschaffing van de slavernij in 1863, zij waren eigenaar van 133 slaven. Zij kregen 300 gulden per slaaf, in totaal 39.900 gulden.

Even ter vergelijk: dat zou nu een waarde hebben van ongeveer 425.000 euro.

De slaven zelf kregen niets, integendeel, ze werden gedwongen om nog tien jaar na de afschaffing van de slavernij op een plantage te blijven werken, tegen (een zeer gering) loon. Pas in 1873 waren ze vrij om te gaan en te staan waar ze wilden.

 

De 28 eigenaren waren de kinderen van Johannes Kerkhoven en Anna Jacoba van der Hucht, te weten: Anna Jacoba Johanna, Cecilia Suzanna, Rudolph Albertus, Carolina Frederika, Albertine Marie Alexandrine, Willem Octavius, Mathilde, Ida Augustus, Charlotte Octavia, Sophia Catherina, Paulina Emilia en Eduard Julius. Ook de zoon van Johannes Kerkhoven en zijn eerste vrouw Cecilia Johanna Bosscha, Pieter kerkhoven was erfgenaam.

 

Daarnaast waren Clara Henriëtte van der Hucht en haar kinderen (met Theodorus Johannes Kerkhoven) erfgenaam: Anna Carolina Elisabeth, Clara Henriëtte, Dorothea Johanna Cornelia, Pieter Jacobus, Jan Willem en zijn vrouw Susanna Lingeman, Anna Catharina Frederika en Carolina Constance Albertine.

 

Pieter Jacobus Kerkhoven, broer van Johannes Kerkhoven, behoorde ook tot de erfgenamen, alsmede de kinderen van Anna Catharina Eijben-Kerkhoven, zus van Johannes Kerkhoven; te weten Catharina Henriette Elisabeth, Herman Frederik en Frederik Gerhard Eijben.

 

In ons eigen archief ben ik tot nu toe niets over deze Surinaamse plantage tegengekomen. Sinds 26 juni 2018 zijn de slavenregisters van Suriname gedigitaliseerd in een database te raadplegen op de site van het Nationaal Archief. Daarin zijn de namen van de erven Pieter Kerkhoven opgenomen.

 

Wijnt van Asselt, 4 februari 2019

 

Andere blogs teruglezen?

 

Blog april 2018

 

Blog Januari 2018

 

Bron   UBM: Kaartenzl: 101.12.14 ( Kaart ), Surinamica, Universiteit van Amsterdam, Amsterdam

Bronnen:

Nationaal Archief, Den Haag, Algemene Rekenkamer CB (Comptabel Beheer), nummer toegang 2.02.09.08, inventarisnummer 223.

 

Okke ten Hove, Heinrich E, Helstone, Wim Hoogbergen, Surinaamse emancipatie 1863. Familienamen en plantages (Amsterdam 2003).